ECLI:NL:RVS:2010:BM5538
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- B. van Wagtendonk
- M.A.A. Mondt Schouten
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank over vreemdelingenbewaring wegens onvoldoende concretisering vertrekverklaring
De vreemdeling, met de Marokkaanse nationaliteit, werd op 28 januari 2010 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank 's-Gravenhage oordeelde op 19 maart 2010 dat de bewaring onterecht was en beval opheffing, omdat de vreemdeling had verklaard Nederland te willen verlaten naar België of Frankrijk, waar familie woont. De minister stelde hoger beroep in tegen dit oordeel.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwoog dat de vreemdeling zijn vertrekverklaring onvoldoende had geconcretiseerd en geen geloofwaardige feiten had gesteld die het vertrek aannemelijk maakten. De enkele verklaring en gesprekken met zijn gemachtigde waren onvoldoende. De rechtbank had ten onrechte geoordeeld dat aan artikel 59, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 was voldaan.
Verder werd vastgesteld dat de staatssecretaris en minister voldoende voortvarendheid hadden betracht bij de voorbereiding van de uitzetting, onder meer door tijdige overdracht van het dossier en het aanvragen van een laissez passer. Het hoger beroep van de minister werd gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd, het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond.