Uitspraak
200900278/1/H2.
Raad van State
De zaak betreft het hoger beroep van appellant tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen die de bezwaren tegen de terugvorderingsbesluiten van de Belastingdienst inzake huurtoeslag 2006 en 2007 gegrond verklaarde en de besluiten vernietigde, maar de rechtsgevolgen in stand liet. De Belastingdienst had de huurtoeslag op nihil vastgesteld en teruggevorderd omdat appellant voordeel uit sparen en beleggen had genoten.
Appellant voerde aan dat hij niet tot terugvordering mocht worden verplicht omdat hij op zijn vermogen moest interen en dat hij onvoldoende was voorgelicht over de gevolgen van voordeel uit sparen en beleggen. De Raad van State oordeelde dat het recht op huurtoeslag afhankelijk is van het vermogen en dat het feit dat appellant in zijn bestaan moest voorzien door in te teren op vermogen niet tot recht op toeslag leidt. Ook was de verlening van voorschotten niet te beschouwen als een gerechtvaardigd vertrouwen op recht op toeslag.
Verder wees de Raad van State het betoog af dat een passendheidsverklaring van het gemeentebestuur invloed zou hebben op de vaststelling van het toetsingsinkomen. De rechtbank had terecht overwogen dat de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand konden blijven omdat het horen in bezwaar geen andere besluiten zou opleveren.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank bevestigd en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.