Uitspraak
200900387/1/H3) geldt hierbij als maatstaf dat tegenbewijs is geleverd dat tot afwijking van dit uitgangspunt noopt.
Raad van State
Het CBR legde appellant op 25 februari 2010 de verplichting op deel te nemen aan een Educatieve Maatregel Gedrag en Verkeer (EMG) vanwege een snelheidsovertreding van 101 km/u op een weg binnen de bebouwde kom waar 50 km/u is toegestaan. Appellant maakte bezwaar en stelde beroep in tegen dit besluit, waarbij hij betoogde dat de snelheidsmeting onjuist was omdat hij op een andere weg reed waar een hogere snelheid was toegestaan. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De Raad van State overwoog dat het CBR terecht uitging van het proces-verbaal dat op ambtseed is opgesteld en dat appellant onvoldoende tegenbewijs had geleverd om dit te weerleggen. De strafrechtelijke vrijspraak van appellant door de kantonrechter stond los van de bestuursrechtelijke procedure en leidde niet tot verval van de grondslag voor de EMG. Ook de bezwaren tegen de toepassing van artikel 8:86 Awb Pro werden ongegrond verklaard.
De Raad van State bevestigde daarmee de uitspraak van de voorzieningenrechter en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het besluit tot oplegging van de EMG wordt bevestigd.