ECLI:NL:RVS:2010:BN4039
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins de Vin
- T.M.A. Claessens
- R. van der Spoel
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortvarendheid minister bij vrijheidsontnemende maatregel vreemdeling
In deze zaak staat de voortvarendheid van de minister bij het opleggen en voortzetten van een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 centraal. De rechtbank had geoordeeld dat de minister niet met de vereiste 'due diligence' had gehandeld, omdat het negen dagen duurde voordat het dossier van de vreemdeling werd overgedragen aan het Bureau Dublin.
De minister stelde zich op het standpunt dat voortvarendheid geen rol speelt bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de maatregel en dat hij wel degelijk met de nodige spoed had gehandeld. De Raad van State bevestigde dat voortvarendheid ('due diligence') ook bij een maatregel op grond van artikel 6 van Pro de Vw 2000 vereist is, maar oordeelde dat de minister in dit geval voldoende spoedig heeft gehandeld.
De minister had het dossier op 20 januari 2010 verzonden, en hoewel het pas op 26 januari bij het Bureau Dublin werd ontvangen, was dit geen reden om de minister te verwijten dat hij niet voortvarend had gehandeld. Ook de claimprocedure naar de Poolse autoriteiten werd tijdig gestart. De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond.
Uitkomst: De Raad van State oordeelt dat de minister voortvarend heeft gehandeld en verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond.