ECLI:NL:RVS:2010:BN3374
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins de Vin
- T.M.A. Claessens
- R. van der Spoel
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortvarendheid minister bij vrijheidsontnemende maatregel vreemdeling
De zaak betreft het hoger beroep van de minister tegen een uitspraak van de rechtbank die oordeelde dat de minister onvoldoende voortvarend had gehandeld bij de voorbereiding van het vertrek van een vreemdeling na intrekking van diens asielaanvraag. De vrijheidsontnemende maatregel was toegepast op grond van artikel 6 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
De Raad van State bevestigt dat het doel van de maatregel is de vreemdeling te beletten toegang te verkrijgen tot Nederland en het Schengen-gebied. Anders dan bij inbewaringstelling op grond van artikel 59 Vw Pro 2000 is bij artikel 6 geen Pro zicht op uitzetting vereist. De minister hoeft daarom niet altijd direct handelingen te verrichten om vertrek te faciliteren.
Wel geldt dat indien de minister het vertrek van de vreemdeling faciliteert en de duur van de vrijheidsontneming mede van het handelen van de minister afhankelijk wordt, voortvarendheid vereist is. In deze zaak heeft de minister geen aanleiding gezien om het vertrek te faciliteren en de vreemdeling heeft dit ook niet aannemelijk gemaakt. Daarom is het aan de vreemdeling zelf om zijn vertrek te bewerkstelligen.
De Raad van State vernietigt het vonnis van de rechtbank, verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af. De grief van de minister slaagt daarmee.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de vrijheidsontnemende maatregel blijft van kracht.