ECLI:NL:RVS:2010:BN7001

Raad van State

Datum uitspraak
15 september 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
201002016/1/H3
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 46 Wet gbaArt. 48 Wet gbaArt. 68 Wet gbaArt. 82 Wet gbaArt. 83 Wet gba
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing verzoek tot wijziging datum inschrijving in gemeentelijke basisadministratie

Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees een verzoek van appellant af om de datum van inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie (gba) te wijzigen. Appellant wilde correctie van de gegevens over de perioden 1967-1971 en 1974-1976 omdat hij stelde in die periodes in Nederland te hebben verbleven.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat artikel 46, vierde lid, van de Wet gba dwingend voorschrijft dat als datum van vestiging de dag van ontvangst van de aangifte geldt. Het college mag niet van een eerdere datum uitgaan. Ook wijziging op grond van het Besluit bevolkingsboekhouding was niet mogelijk omdat meer dan twee jaren waren verstreken sinds de opname van de gegevens.

De Raad van State bevestigt deze uitspraak. De door appellant overgelegde vonnissen die zijn verblijf in Nederland aantonen, leiden niet tot een ander oordeel vanwege de dwingendrechtelijke aard van artikel 84 van Pro het Besluit. Het systeem van de Wet gba laat slechts beperkte correctiemogelijkheden toe.

De Afdeling bestuursrechtspraak verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 januari 2010. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek tot wijziging van de datum van inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie is bevestigd.

Uitspraak

201002016/1/H3.
Datum uitspraak: 15 september 2010
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 januari 2010 in zaak nr. 08/3465 in het geding tussen:
[appellant],
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.
1. Procesverloop
Bij besluit van 19 december 2007 heeft het college een verzoek van [appellant] om wijziging van de datum van inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie (hierna: gba) afgewezen.
Bij besluit van 25 juli 2008 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 15 januari 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 februari 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 12 april 2010.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 augustus 2010, waar [appellant], bijgestaan door mr. G.L.D. Thomas, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. S. Lensink, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 46, eerste lid, van de Wet gemeentelijke basisadministratie (hierna: Wet gba) worden aan de aangifte van verblijf en adres van degene die naar redelijke verwachting gedurende een half jaar ten minste twee derden van de tijd in Nederland verblijf zal houden en die zijn adres heeft in de betrokken gemeente, gegevens betreffende het verblijf, het vorige land van verblijf en het adres ontleend.
Ingevolge het vierde lid wordt als datum van aanvang van het verblijf in Nederland en van vestiging van het adres in de gemeente de dag opgenomen waarop de aangifte is ontvangen, dan wel de dag waarop van het voornemen tot ambtshalve opneming van gegevens over het verblijf en adres aan betrokkene schriftelijk mededeling is gedaan.
Ingevolge artikel 48, eerste lid, worden aan de aangifte van vertrek van de ingezetene die naar redelijke verwachting gedurende een jaar ten minste twee derden van de tijd buiten Nederland zal verblijven, gegevens betreffende het volgende land van verblijf en het eerste adres van verblijf in dat land ontleend.
Ingevolge het derde lid wordt als datum van vertrek uit Nederland en van opheffing van het adres de dag opgenomen waarop de aangifte is ontvangen, dan wel de dag waarop van het voornemen tot ambtshalve opneming van gegevens over het vertrek aan de ingeschrevene schriftelijk mededeling is gedaan.
Ingevolge artikel 68, eerste lid, is de ingezetene die naar redelijke verwachting gedurende een jaar ten minste twee derden van de tijd buiten Nederland zal verblijven, verplicht bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente van inschrijving binnen vijf dagen voor zijn vertrek uit Nederland schriftelijk aangifte van vertrek te doen.
Ingevolge het tweede lid doet hij in die aangifte mededeling van dat vertrek, van het volgende land van verblijf en van het eerste adres van verblijf in dat land.
Ingevolge artikel 82, eerste lid, voldoet het college van burgemeester en wethouders binnen vier weken kosteloos aan het verzoek van betrokkene hem betreffende gegevens in de basisadministratie te verbeteren, aan te vullen of te verwijderen, indien deze feitelijk onjuist dan wel onvolledig zijn of in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt. Het verzoek bevat de aan te brengen wijzigingen.
Ingevolge het tweede lid geeft het college van burgemeester en wethouders aan het verzoek uitvoering met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de eerste afdeling van dit hoofdstuk.
Ingevolge artikel 83, aanhef en onder f, wordt een beslissing van het college van burgemeester en wethouders om niet te voldoen aan een verzoek als bedoeld in artikel 82 gelijkgesteld Pro met een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.
Ingevolge artikel 144, eerste lid, worden feiten die hebben plaatsgevonden voor de inwerkingtreding van dit artikel en die van belang zijn voor de bijhouding van gegevens in of de verstrekking van gegevens uit de voor die inwerkingtreding gehouden bevolkingsregisters, afgewikkeld op de voet van het Besluit bevolkingsboekhouding, tenzij de desbetreffende gegevens op grond van deze wet worden opgenomen in of verstrekt uit de basisadministraties.
Ingevolge artikel 3, eerste lid, van het Besluit bevolkingsboekhouding (hierna: het Besluit) is hij die in Nederland nachtrust geniet zonder in enig persoonsregister, als bedoeld in artikel 27, eerste lid, te zijn opgenomen, behoudens het bepaalde in artikel 4, verplicht zich binnen vijf dagen na aankomst in Nederland, onderscheidenlijk binnen vijf dagen na de dag, waarop het bepaalde in artikel 4 niet Pro meer op hem van toepassing is, aan te melden bij het bestuur van de gemeente, waarin hij nachtrust geniet.
Ingevolge artikel 7, eerste lid, doet hij, die ingevolge het bepaalde bij of krachtens dit besluit in een ander persoonsregister moet worden opgenomen, daarvan op de dag of binnen vijf dagen na de dag, waarop hij voor opneming in dat persoonsregister in aanmerking komt, mondeling of schriftelijk aangifte bij het bestuur der gemeente, in welker persoonsregister hij is opgenomen, met opgave van zijn laatste adres, alsmede van de naam van de gemeente, in welker persoonsregister opneming moet plaats hebben en van zijn adres aldaar.
Ingevolge artikel 8, eerste lid, doet hij, die Nederland verlaat en ingevolge het bepaalde bij of krachtens dit besluit van de persoonsregisters moet worden afgevoerd, daarvan op de dag van zijn vertrek, of ten hoogste vijf dagen tevoren, mondeling of schriftelijk aangifte bij het bestuur der gemeente, in welker persoonsregister hij is opgenomen, met opgave van zijn laatste adres, de naam van het land of het gebiedsdeel en van de plaats, waarheen hij vertrekt, en zijn adres aldaar.
Ingevolge artikel 10 is Pro hij, die in de gemeente, in welker persoonsregister is opgenomen, verhuist of van adres verandert, verplicht daarvan niet eerder dan vijf dagen voor en niet later dan vijf dagen na de verhuizing of adresverandering mondeling of schriftelijk aangifte te doen bij het gemeentebestuur, met opgave van het oude en het nieuwe adres.
Ingevolge artikel 19, eerste lid, aanhef en onder b en c wordt onverwijld van de persoonsregisters afgevoerd hij die Nederland verlaat en hij die geen aangifte heeft gedaan, als bedoeld in de artikelen 7 of 8, en wiens verblijfplaats niet is kunnen worden opgespoord.
Ingevolge artikel 23, eerste lid, aanhef en onder b en c, wordt van het persoonsregister afgevoerd hij die Nederland verlaat, zonder dat hij blijkt te behoren tot de in artikel 19, tweede lid, bedoelde personen en hij die geen aangifte heeft gedaan, als bedoeld in de artikelen 7 of 8, en wiens verblijfplaats niet is kunnen worden opgespoord.
Ingevolge artikel 84, eerste lid, kan een opneming in of afvoering van het persoonsregister ongedaan worden gemaakt, indien deze het gevolg is van een gemaakte vergissing dan wel van onjuiste of onvoldoende voorlichting en niet meer dan twee jaren sedert de dagtekening van die opneming of afvoering zijn verlopen.
2.2. Op de persoonskaart van [appellant], die is bijgehouden op grond van het Besluit, is vermeld dat hij over de periode van 26 oktober 1967 tot 5 mei 1971 is uitgeschreven naar "onbekend" op grond van een adresonderzoek dat destijds ambtshalve door het college is verricht. Voorts is op de persoonskaart vermeld dat [appellant] op 26 juni 1974 is uitgeschreven naar Curaçao op grond van een eigen aangifte en dat hij zich op 20 augustus 1976 op eigen aangifte heeft laten inschrijven in de gemeente Veenhuizen. In de gba is op de persoonslijst van [appellant] als datum van vestiging in Nederland de datum van 20 augustus 1976 vermeld.
[appellant] heeft verzocht om correctie van de gegevens over de perioden van 26 oktober 1967 tot 5 mei 1971 en van 26 juni 1974 tot 20 augustus 1976, omdat hij volgens zijn zeggen in die perioden in Nederland heeft verbleven. Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit heeft het college dit verzoek van [appellant] afgewezen.
2.3. De rechtbank heeft geoordeeld dat het bepaalde in artikel 46, vierde lid, van de Wet gba dwingend voorschrijft dat als datum van vestiging in Nederland in de gba wordt opgenomen, de dag waarop de aangifte is ontvangen. Het is het college niet toegestaan om van een eerdere datum uit te gaan, aldus de rechtbank. De Wet gba biedt het college geen ruimte om een verbetering aan te brengen in de basisadministratie, zoals door [appellant] is verzocht. Verder is volgens de rechtbank wijziging van de gegevens op de persoonskaart van [appellant] gelet op artikel 84, eerste lid, van het Besluit evenmin mogelijk, omdat in dit geval meer dan twee jaren zijn verstreken.
2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het het college niet is toegestaan om in de gba een eerdere datum van vestiging in Nederland op te nemen. [appellant] heeft hiertoe gewezen op een uitspraak van de rechtbank van 19 december 2008, waarin de rechtbank een beroep gegrond heeft verklaard omdat niet zeker was dat betrokkene naar het buitenland was vertrokken. Verder heeft hij met het in hoger beroep overleggen van een tweetal vonnissen van de rechtbank Rotterdam van 4 september 1969 en 24 maart 1970 bewijs geleverd dat hij sinds 26 oktober 1967 in Nederland heeft verbleven, aldus [appellant].
2.4.1. Vaststaat dat in de gba op de persoonslijst van [appellant] uitsluitend is opgenomen de datum van vestiging in Nederland op 20 augustus 1976. Gelet op het bepaalde in artikel 144, eerste lid, van de Wet gba heeft de rechtbank met juistheid het bij haar bestreden besluit voor zover dit ziet op dit gegeven beoordeeld op grond van de Wet gba.
De rechtbank heeft voorts met juistheid, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 2 april 2008 in zaak nr.
200707052/1, overwogen dat bij de uitvoering van een verzoek om correctie in de zin van artikel 82, eerste lid, van de Wet gba, het bepaalde in artikel 46, vierde lid, van de Wet gba in acht dient te worden genomen.
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 25 maart 2009 in zaak nr. <a target="_blank" href="http://200805754/1/H3">200805754/1/H3</a>), schrijft artikel 46, vierde lid, van de Wet gba dwingend voor dat als datum van aanvang van verblijf in Nederland en van vestiging van adres dient te worden genomen de dag waarop de aangifte daartoe is ontvangen. Nu niet in geschil is dat 20 augustus 1976 als datum van vestiging in de gba is opgenomen op grond van de eigen aangifte van [appellant], heeft de rechtbank op goede gronden geoordeeld dat het college deze datum terecht in de gba heeft opgenomen en dat het het college niet is toegestaan om van een eerdere datum uit te gaan. Het beroep van [appellant] op een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 december 2008 faalt, reeds omdat deze uitspraak niet ziet op de toepassing van artikel 46, vierde lid, van de Wet gba, maar ziet op een ambtshalve wijziging in de persoonslijst van betrokkene door het daartoe bevoegde orgaan.
2.4.2. Met de rechtbank overweegt de Afdeling voorts dat wijziging van gegevens op de persoonskaart van [appellant] over de perioden 26 oktober 1967 tot 5 mei 1971 en van 26 juni 1974 tot 20 augustus 1976 dient te worden beoordeeld op grond van het Besluit. Nu meer dan twee jaren zijn verlopen sedert de dagtekening van de opname van de gegevens op de persoonskaart van [appellant], heeft de rechtbank, gelet op het bepaalde in artikel 84, eerste lid, van het Besluit, terecht overwogen dat wijziging van die gegevens evenmin mogelijk is. Dat [appellant] inmiddels, zoals hij stelt, door het overleggen van twee vonnissen van de rechtbank Rotterdam aannemelijk heeft gemaakt dat hij sedert 26 oktober 1967 in Nederland heeft verbleven, leidt, wat van de juistheid daarvan ook van zij, niet tot een ander oordeel, omdat het artikel 84, eerste lid, van het Besluit dwingendrechtelijk van aard is. Voor zover het oordeel ertoe zou leiden dat onjuistheden of lacunes in de registers van de burgerlijke stand slechts in beperkte mate kunnen worden gecorrigeerd is dit, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in reeds genoemde uitspraak van 2 april 2008, inherent aan het systeem van de Wet gba.
2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.J. den Broeder, ambtenaar van Staat.
w.g. Van Altena w.g. Den Broeder
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 15 september 2010
187-581.