Uitspraak
200707052/1, overwogen dat bij de uitvoering van een verzoek om correctie in de zin van artikel 82, eerste lid, van de Wet gba, het bepaalde in artikel 46, vierde lid, van de Wet gba in acht dient te worden genomen.
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees een verzoek van appellant af om de datum van inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie (gba) te wijzigen. Appellant wilde correctie van de gegevens over de perioden 1967-1971 en 1974-1976 omdat hij stelde in die periodes in Nederland te hebben verbleven.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat artikel 46, vierde lid, van de Wet gba dwingend voorschrijft dat als datum van vestiging de dag van ontvangst van de aangifte geldt. Het college mag niet van een eerdere datum uitgaan. Ook wijziging op grond van het Besluit bevolkingsboekhouding was niet mogelijk omdat meer dan twee jaren waren verstreken sinds de opname van de gegevens.
De Raad van State bevestigt deze uitspraak. De door appellant overgelegde vonnissen die zijn verblijf in Nederland aantonen, leiden niet tot een ander oordeel vanwege de dwingendrechtelijke aard van artikel 84 van Pro het Besluit. Het systeem van de Wet gba laat slechts beperkte correctiemogelijkheden toe.
De Afdeling bestuursrechtspraak verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 januari 2010. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek tot wijziging van de datum van inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie is bevestigd.