Uitspraak
200400550/1, dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de aanvraag van 14 mei 2008 niet als een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Awb kan worden aangemerkt. Hiertoe voert hij aan dat [wederpartij] in zijn bezwaarschrift van 26 januari 2007 tegen de afwijzing van de eerste aanvraag reeds om een ontheffing of vrijstelling als bedoeld in artikel 12 van Pro de Beschikking had verzocht. In de aanvraag van 14 mei 2008 had [wederpartij] vermeld dat hij, gelet op de uitspraak van de rechtbank van 17 december 2007 genoodzaakt was een nieuwe aanvraag in te dienen. Gelet op het voorgaande dient de aanvraag van 14 mei 2008 als een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Awb te worden aangemerkt, aldus de minister.
200706839/1kan, indien na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking wordt genomen, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst.