Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
subonderdeel 1.1.
Subonderdeel 1.2voert in dit verband aan dat uit de beslissingen van de officier van justitie niet volgt dat de beschikkingen uit coulance zijn vernietigd, en
subonderdeel 1.3, eerste klacht, dat gelet op het feit dat de officier van justitie in de beslissingen voorbij is gegaan aan de termijnoverschrijding, die overschrijding een gepasseerd station is, nu de beslissingen van de officier van justitie formele rechtskracht hebben.
subonderdeel 3.2zijn door het niet-inachtnemen van deze eisen in dit geval de art. 5 en Pro 6 EVRM geschonden, zeker nu van de machtiging geen rechtsmiddel openstond en de machtiging [eiseres] onbekend was.
Subonderdeel 3.3klaagt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het moet uitgaan van de rechtmatigheid van de machtiging, gelet op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen. Het voert aan dat het hof de machtiging aan de art. 5 en Pro 6 EVRM had moeten toetsen.
Subonderdeel 3.4klaagt dat het hof heeft miskend dat de kortgedingprocedure waarnaar het in rov. 12 verwijst als middel om tegen een onterechte gijzeling op te komen, onvoldoende adequate rechtsbescherming biedt. Het wijst erop dat een kort geding voor [eiseres] geen reële mogelijkheid bood om tegen de gijzeling op te komen.
Subonderdeel 3.5voert tot slot aan dat het hof ten onrechte in rov. 13 heeft geoordeeld dat [eiseres] voor de behandeling van het verzoek om een machtiging tot gijzeling bij gewone brief mocht worden opgeroepen en dat de niet-ontvangst van oproepen voor haar eigen risico komt. Volgens het subonderdeel komt dit oordeel in strijd met de art. 5 en Pro 6 EVRM. Het subonderdeel voert aan dat [eiseres] naar voren heeft gebracht dat zij de oproepen niet heeft ontvangen en dat de bewijslast van de verzending op de Staat rust.
mutatis mutandis, Hennings v. Germany, 16 December 1992, § 26, Series A no. 251-A).