ECLI:NL:RVS:2010:BO0825
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.A.A. Mondt Schouten
- C.J. Borman
- Rechtspraak.nl
Vaststelling ononderbroken verblijfseis voor verblijfsvergunning vreemdelingenwet
De zaak betreft een hoger beroep van de staatssecretaris tegen een uitspraak van de rechtbank die het besluit vernietigde waarin het bezwaar van een vreemdeling tegen het niet ambtshalve doen van een aanbod op grond van de Regeling afwikkeling nalatenschap Vreemdelingenwet (oud) werd afgewezen.
De kern van het geschil is de uitleg en toepassing van de ononderbroken verblijfseis sinds 1 april 2001 voor het verkrijgen van een verblijfsvergunning. De staatssecretaris stelt dat indien een vreemdeling aantoonbaar na 13 december 2006 Nederland heeft verlaten, deze niet aan de verblijfseis voldoet, ook al is de burgemeesterverklaring positief.
De Raad van State bevestigt dat de staatssecretaris bij zijn beoordeling het tijdstip van vertrek moet meenemen en dat het tijdstip van beoordeling per vreemdeling kan verschillen zonder strijd met het rechtszekerheids- of gelijkheidsbeginsel. De rechtbank had dit onvoldoende onderkend. De Raad vernietigt daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep gegrond.
Daarnaast oordeelt de Raad dat de staatssecretaris terecht de verklaring van de vreemdeling, die haar vertrekdatum uit Nederland wijzigde zonder objectieve onderbouwing, niet heeft gevolgd. De staatssecretaris hoefde geen nader onderzoek te verrichten gezien de omstandigheden en de relevante jurisprudentie.
De Raad verklaart het inleidende beroep ongegrond en ziet geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard en het beroep van de vreemdeling ongegrond.