ECLI:NL:RVS:2010:BO2095
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- B. van Wagtendonk
- R. van der Spoel
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken belang bij verblijfsvergunning asiel
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris op 3 april 2009 werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het daarop ingestelde beroep ongegrond. De vreemdeling stelde vervolgens hoger beroep in bij de Raad van State.
Tijdens de beoordeling van het beroep was de vreemdeling echter in het bezit van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, verleend op 28 mei 2009 en geldig vanaf 27 april 2009 tot 27 april 2010. Volgens artikel 30, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 staat dit aan de inwilliging van de asielaanvraag in de weg.
De Raad overwoog dat zolang de vreemdeling deze verblijfsvergunning regulier bezit, hij geen belang heeft bij het beroep en hoger beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag. Belang ontstaat pas indien deze vergunning wordt ingetrokken of de verlenging wordt afgewezen. Het hoger beroep werd daarom kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 26 oktober 2010.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van belang bij de asielaanvraag.