Uitspraak
200906942/1, overwogen dat voor de toepassing van artikel 3.22, eerste lid, van de Wro is vereist dat aannemelijk is dat na het verstrijken van de gestelde termijn geen behoefte meer bestaat aan de tijdelijke voorziening.
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht verleende op 13 oktober 2009 ontheffing en bouwvergunning voor het oprichten van twee tijdelijke noodlokalen op het perceel Maliebaan 56 te Utrecht, met een geldigheidsduur tot 31 augustus 2011. Tegen deze besluiten stelde een appellant beroep in bij de rechtbank Utrecht, die het beroep grotendeels ongegrond verklaarde en het beroep op de aanvankelijke grondslag niet-ontvankelijk. De appellant stelde vervolgens hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelt dat de rechtbank ten onrechte het beroep deels niet-ontvankelijk heeft verklaard en dat onvoldoende concrete, objectieve gegevens aanwezig waren om het tijdelijke karakter van de noodlokalen aannemelijk te maken. De toezegging van bestuursdwang na afloop van de termijn biedt onvoldoende waarborg voor de tijdelijkheid. Daarnaast is geoordeeld dat de rechtbank niet buiten de grenzen van het geschil is getreden door de grondslag van de ontheffing te toetsen en dat het college de parkeer- en verkeersoverlast adequaat heeft betrokken bij haar besluitvorming.
De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt de besluiten van het college van 13 oktober 2009 en 6 januari 2010 wegens strijd met artikel 3:46 van Pro de Awb en verklaart het hoger beroep gegrond. Tevens wordt het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan de appellant.
Uitkomst: De besluiten van het college Utrecht worden vernietigd wegens onvoldoende motivering van het tijdelijke karakter van de noodlokalen.