ECLI:NL:RVS:2011:BP4329
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- R. van der Spoel
- M.A.A. Mondt-Schouten
- Rechtspraak.nl
Vaststelling redelijke ingangsdatum verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM
De zaak betreft het hoger beroep van de minister tegen een uitspraak van de rechtbank die de ingangsdatum van een verblijfsvergunning voor een vreemdeling had vastgesteld op 11 augustus 2005. De minister had de vergunning verleend met ingang van 4 december 2007, de datum van een hoorzitting waarbij de vreemdeling nadere inlichtingen gaf over zijn gezinsleven met zijn minderjarige dochter.
De rechtbank had geoordeeld dat de samenwoning van de vreemdeling met zijn dochter geen onderscheidend criterium mocht zijn en stelde de ingangsdatum eerder vast. De minister betoogde dat hij een beoordelingsruimte toekomt bij het bepalen van de ingangsdatum en dat de samenwoning, die duurzaam bleek, een overwegende factor was.
De Raad van State oordeelt dat de minister terecht een fair balance heeft gezocht tussen het individuele belang van de vreemdeling en het algemeen belang van de staat, conform vaste jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. De minister heeft de ingangsdatum in redelijkheid beperkt tot 4 december 2007, mede gelet op het nieuwe beoordelingsmoment bij de meerderjarigheid van de dochter.
De Raad van State verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt het vonnis van de rechtbank voor zover aangevallen en verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt dat de minister de ingangsdatum van de verblijfsvergunning op 4 december 2007 in redelijkheid heeft vastgesteld en verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond.