Uitspraak
200804453/1) mag een bestuursorgaan, in dit geval het CBR, in beginsel uitgaan van de juistheid van een op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal. Dat geldt evenzeer voor de rechter, tenzij tegenbewijs noopt tot afwijking van dit uitgangspunt. Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd biedt geen steun voor de opvatting dat de feiten en omstandigheden zoals vermeld in het proces-verbaal onjuist zijn en dat de conclusie van de verbalisanten dat hij de ademtest geweigerd heeft, onjuist is. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de verbalisanten na diverse mislukte blaaspogingen aan [appellant] hebben gevraagd of hij wegens gezondheidsredenen niet in staat was de blaastest succesvol af te ronden en dat [appellant] heeft geweigerd hierop te antwoorden. Er valt niet in te zien waarom hij de verbalisanten niet van zijn gestelde gezondheidsproblemen en zijn angst voor urineverlies als gevolg daarvan op de hoogte had kunnen stellen. De rechtbank heeft voorts met betrekking tot het NFI-rapport met juistheid overwogen dat daaruit blijkt dat een vergrote prostaat bij [appellant] aanleiding kan geven tot urineverlies, met name bij inspanning, maar dat uit dat rapport niet zonder meer kan worden afgeleid dat hij niet in staat zou zijn geweest om een volledige blaastest af te leggen. Opsporingsambtenaren kunnen een bloedonderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onder b van de Wvw aanbieden indien aannemelijk is dat het verlenen van medewerking aan een ademonderzoek voor een betrokkene om bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk is. Nu volgens het proces-verbaal dergelijke bijzondere geneeskundige redenen op dat moment niet waren gebleken, en [appellant] bovendien weigerde mededelingen te doen over zijn gezondheid, bestond voor de verbalisanten geen aanleiding daartoe.
200506820/1). Dat de strafrechter [appellant] op 27 april 2010 heeft vrijgesproken van overtreding van artikel 163, tweede lid, van de Wvw wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs, laat onverlet dat de feiten en omstandigheden als vermeld in het proces-verbaal het vermoeden rechtvaardigden dat [appellant] niet langer beschikte over de vereiste rijvaardigheid dan wel over de vereiste lichamelijke of geestelijke geschiktheid. Uit die vrijspraak valt niet af te leiden dat de feiten en omstandigheden die in het proces-verbaal staan beschreven onjuist zijn, maar alleen dat het strafrechtelijke bewijs voor die feiten niet is geleverd. Voorts bestaat geen aanleiding om te twijfelen aan de door het CBR in verweer betrokken stelling dat de verbalisanten als ervaringsdeskundigen voldoende in staat zijn te observeren en te registreren en dat zij er geen belang bij hebben om onjuistheden in het proces-verbaal op te nemen, dan wel relevante omstandigheden weg te laten.