ECLI:NL:RVS:2011:BQ1516
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- R. van der Spoel
- D. Roemers
- Rechtspraak.nl
Onjuiste toepassing wettelijke regels over betaling leges bij verblijfsvergunningaanvraag
De zaak betreft een hoger beroep van de minister van Justitie tegen een uitspraak van de rechtbank die oordeelde dat artikel 3.34i van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 niet van toepassing is op een aanvraag tot verblijfsvergunning die vóór de inwerkingtreding van deze bepaling op 10 april 2009 is ingediend.
De minister stelde dat de verplichting om leges persoonlijk aan het IND-loket te voldoen al gold ten tijde van de indiening van de aanvraag, maar de Raad van State oordeelde dat deze verplichting pas met de inwerkingtreding van artikel 3.34i een wettelijke grondslag kreeg. Omdat de aanvraag vóór die datum was ingediend, kon deze bepaling niet nadelig voor de vreemdeling worden toegepast.
Daarnaast had de vreemdeling verzocht om een acceptgiro of bankrekeningnummer om de leges te voldoen, waarop de minister niet had gereageerd. De Raad van State stelde vast dat de minister de vreemdeling ten onrechte had verweten de leges niet te hebben voldaan.
De Raad van State bevestigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het hoger beroep van de minister ongegrond en veroordeelde de minister tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt ongegrond verklaard en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.