ECLI:NL:RVS:2012:BW0571
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- B. van Wagtendonk
- C.J. Borman
- Rechtspraak.nl
Beoordeling legesplicht bij aanvraag verblijfsvergunning regulier na vernietiging besluit
De zaak betreft het hoger beroep van de minister tegen een uitspraak van de rechtbank die het besluit van 9 juli 2010 vernietigde, waarin de minister het bezwaar van de vreemdeling tegen het niet in behandeling nemen van haar aanvraag om een verblijfsvergunning regulier ongegrond verklaarde.
De vreemdeling had betoogd dat zij geen leges verschuldigd was omdat zij slechts haar situatie onder de aandacht van de minister wilde brengen voor een ambtshalve verlening van een verblijfsvergunning. De rechtbank oordeelde dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom leges verschuldigd zouden zijn en vernietigde het besluit.
De Raad van State stelt vast dat hoewel het besluit vernietigd is wegens een motiveringsgebrek, de rechtsgevolgen van het besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht in stand kunnen blijven. De Raad oordeelt dat de vreemdeling wel degelijk leges verschuldigd is op grond van het toepasselijke recht en dat de minister terecht het bezwaar ongegrond verklaarde. Daarom wordt het hoger beroep van de minister gegrond verklaard voor zover het de rechtsgevolgen betreft en wordt het vonnis van de rechtbank voor dat deel vernietigd.
De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het betalen van griffierecht. De uitspraak bevestigt dat legesplicht geldt voor de aanvraag van een verblijfsvergunning regulier, ook als de vreemdeling de aanvraag indient met het doel ambtshalve een vergunning te verkrijgen.
Uitkomst: De rechtsgevolgen van het vernietigde besluit blijven in stand en de minister wordt veroordeeld tot proceskostenvergoeding.