Uitspraak
200800289/1.
200900671/1/R1met betrekking tot het bestemmingsplan "Maasvlakte 2" van de gemeente Rotterdam, dienen de voor een Natura 2000-gebied geldende instandhoudingsdoelstellingen te worden betrokken bij de vraag of er significante effecten kunnen zijn en is de significantie van de effecten afhankelijk van de mate waarin aan de instandhoudingsdoelstellingen wordt voldaan. Voorts heeft het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in zijn arrest van 7 september 2004 in zaak nr. C-127/02 (Kokkelvisserij; www.curia.europa.eu) overwogen dat een plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een gebied, wanneer het de instandhoudingsdoelstellingen daarvan in gevaar dreigt te brengen, moet worden beschouwd als een plan of project dat significante gevolgen kan hebben voor het betrokken gebied. Dit moet met name worden beoordeeld in het licht van de specifieke milieukenmerken en omstandigheden van het gebied waarop het plan of project betrekking heeft, aldus het Hof.
200706095/1, betreft de coördinatie als bedoeld in artikel 7 van Pro de IPPC-richtlijn, gelet op de definitie van het begrip "vergunning" in artikel 2, onder 9, van deze richtlijn, slechts de coördinatie tussen die besluiten of gedeelten van (een) besluit(en) die hun grondslag vinden in de regelgeving die de implementatie vormt van de IPPC-richtlijn. Nu de Nbw 1998, die is gericht op implementatie van de Richtlijn 79/409/EEG van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand en de Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna, niet tot die regelgeving behoort, ziet artikel 7 van Pro de IPPC-richtlijn niet op coördinatie tussen het hier aan de orde zijnde besluit op een aanvraag om vergunning krachtens de Nbw 1998 en een besluit op een aanvraag om vergunning krachtens de hiervoor onder 2.12. bedoelde wetten.
200700097/1.
200805338/1/R2kunnen onzekere toekomstige gebeurtenissen bij de beoordeling van cumulatieve effecten buiten beschouwing blijven. Het standpunt van het college dat bij die beoordeling in dit geval alleen effecten betrokken hoefden te worden van projecten waarvoor vergunning op grond van de Nbw 1998 is verleend en die nog niet in bedrijf zijn gesteld en van projecten waarvoor verlening van een dergelijke vergunning op korte termijn is te verwachten, acht de Afdeling dan ook niet onjuist. Dat projecten die op zichzelf beschouwd uitsluitend niet-significante effecten hebben, gezamenlijk beschouwd wel tot significante effecten kunnen leiden, zoals Greenpeace aanvoert, maakt dat niet anders. Voor zover het, zoals in het nu voorliggende geval, gaat om projecten die de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren, zal voor dergelijke projecten immers ook een vergunning op grond van de Nbw 1998 vereist zijn. Indien een dergelijke vergunning niet is verleend zal daartegen doorgaans handhavend kunnen worden opgetreden.