Uitspraak
201006983/1/M2).
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Lopik verleende op 18 maart 2010 een vergunning voor het veranderen van een pluimveehouderij. Appellanten stelden beroep in tegen dit besluit, waarbij zij onder meer aanvoerden dat de geurhinder van de mestverwerkingsinstallatie onvoldoende was beoordeeld.
De Raad van State oordeelde dat het college terecht een veranderingsvergunning verleende en dat de mestopslag en mestdrooginstallatie voldeden aan de beste beschikbare technieken volgens het BREF-document. Ook werden geluidgrenswaarden en stofhinder voldoende gemotiveerd beoordeeld.
Echter, de Raad stelde vast dat de geurhinder vanwege de mestverwerkingsinstallatie niet was meegenomen in de geurbelastingberekening conform de Wet geurhinder en veehouderij. Dit was in strijd met het motiveringsbeginsel van artikel 3:2 Awb Pro, omdat het college niet de benodigde kennis had vergaard en belangen had afgewogen. Daarom werd het besluit vernietigd.
De beroepen waren voor zover ontvankelijk gegrond en het college werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan appellanten sub 2. De overige beroepsgronden behoefden geen bespreking.
Uitkomst: Het besluit tot vergunningverlening wordt vernietigd vanwege onvoldoende beoordeling van geurhinder van de mestverwerkingsinstallatie.