ECLI:NL:RVS:2011:BQ5550
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins de Vin
- C.H.M. van Altena
- Rechtspraak.nl
Raad van State vernietigt uitspraak rechtbank over bescherming vreemdeling in Irak
De zaak betreft het hoger beroep van de minister van Justitie tegen een uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage die een vreemdeling bescherming toekende vanwege bedreigingen door Al-Qaida in Irak. De vreemdeling had een verblijfsvergunning asiel aangevraagd, welke door de staatssecretaris was afgewezen. De rechtbank had dit besluit vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen.
De Raad van State overweegt dat de vreemdeling onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de Iraakse autoriteiten hem geen effectieve bescherming konden bieden. Hoewel de algemene veiligheidssituatie in Noord-Irak problematisch is, heeft de vreemdeling zelf bescherming gezocht bij de autoriteiten, die concrete maatregelen hebben genomen zoals arrestatiebevelen en politiebewaking van zijn winkel. De vreemdeling heeft deze acties niet afgewacht en is direct vertrokken zonder gebruik te maken van connecties bij de Koerdische veiligheidsdienst.
Verder oordeelt de Raad dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat de vreemdeling op grond van zijn individuele situatie bescherming kan krijgen op basis van artikel 15 van Pro de richtlijn 2004/83/EG. De bescherming moet worden beoordeeld binnen de context van artikel 3 EVRM Pro, waarbij de algemene veiligheidssituatie in Kirkuk niet zodanig verslechterd is dat er sprake is van een reëel risico louter vanwege aanwezigheid.
De Raad verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.