Uitspraak
200907397/1/M2dit besluit van 22 juli 2009 vernietigd. Bij besluit van 16 juni 2010 heeft het dagelijks bestuur van de milieudienst opnieuw dezelfde hogere geluidgrenswaarden als bedoeld in artikel 83, tweede lid, van de Wet geluidhinder vastgesteld voor de 34 wooneenheden (hierna: het besluit hogere geluidgrenswaarden van 16 juni 2010).
200708769/1). Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 26 maart 2008 in zaak nr.
200705490/1), is voor het in stand laten van de rechtsgevolgen niet vereist dat nog slechts één beslissing mogelijk is.
200907397/1met betrekking tot het besluit hogere geluidgrenswaarden van 22 juli 2009 volgt dat het besluit van 22 juli 2009 geen voornemen, maar een besluit is. Er zijn geen aanknopingspunten voor het oordeel dat dit niet zou gelden voor het aan dit besluit van 22 juli 2009 gelijkluidende besluit hogere geluidgrenswaarden van 16 juni 2010. De provinciale vrijstellingenlijst biedt voorts geen aanknopingspunten voor het oordeel dat, zoals Stichting Wijkteam Ockenrode/Nijenrode en anderen betogen, voor gebruikmaking van de vrijstellingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO sprake moet zijn van een onherroepelijk besluit hogere geluidsgrenswaarden. Hetgeen Stichting Wijkteam Ockenrode/Nijenrode en anderen aanvoeren biedt voorts onvoldoende grond voor het oordeel dat op voorhand vast staat dat het besluit hogere geluidsgrenswaarden van 16 juni 2010 niet in stand kan blijven. Voor zover zou worden geoordeeld dat in dit besluit voor een aantal woningen is uitgegaan van een onjuiste afstand van deze woningen tot de as van de weg als gevolg waarvan een 1 dB(A) te lage grenswaarde is vastgesteld, hetgeen de milieudienst in de procedure met betrekking tot het besluit hogere geluidsgrenswaarden van 16 juni 2010 gemotiveerd heeft betwist, zij overwogen dat de vast te stellen grenswaarde de ingevolge de Wet geluidhinder geldende maximale grenswaarde van 63 dB(A) niet overschrijdt. De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat de beoordeling of het bouwplan technisch gezien aan de vastgestelde hogere grenswaarden kan voldoen behoort plaats te vinden in het kader van de aanvraag om bouwvergunning tweede fase. Nu op voorhand niet vast staat dat het besluit hogere geluidsgrenswaarden van 16 juni 2010 niet in stand kan blijven, heeft de rechtbank terecht overwogen dat met het besluit van 16 juni 2010 aan de randvoorwaarde met betrekking tot de geluidsgrenswaarden voor het verlenen van vrijstelling is voldaan.
200705395/1, 200705270/1 en 200705171/1) behoort, indien krachtens artikel 19, tweede of derde lid, van de WRO vrijstelling kan worden verleend, geen vrijstelling krachtens het eerste lid te worden verleend. Nu het college bevoegd geacht moet worden om met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling te verlenen, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het het college niet vrij stond om met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de WRO vrijstelling ten behoeve van het bouwplan te verlenen.
200900139/1/H1) is voor de vraag of de aanvrager van een bouwvergunning, niet zijnde de eigenaar van de betrokken gronden, als belanghebbende is aan te merken, bepalend of zich de situatie voordoet dat het bouwplan nimmer kan worden verwezenlijkt. De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat sprake is van een dergelijke situatie. De enkele omstandigheid dat toendertijd niet alle gronden het eigendom waren van [vergunninghoudster] en de bouw, wat daar verder van zij, een aantal keer zou zijn uitgesteld, zoals Stichting Wijkteam Ockenrode/Nijenrode en anderen betogen, is daarvoor, mede gelet op de tussen [vergunninghoudster] en de gemeente gesloten exploitatieovereenkomst, onvoldoende.
200400798/1) dient bij de beantwoording van de vraag of voorzien wordt in voldoende parkeermogelijkheden alleen rekening te worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van de realisering van het bouwplan. Dat er parkeerplaatsen verdwijnen als gevolg van de realisering van het bouwplan, zoals Stichting Wijkteam Ockenrode/Nijenrode en anderen betogen, is op zichzelf dan ook niet relevant.
200804977/1) mag het college, hoewel het niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Tenzij het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen, behoeft het overnemen van een welstandsadvies in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie dan wel gemotiveerd aanvoert dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria. Ook laatstgenoemde omstandigheid kan aanleiding geven tot het oordeel dat het besluit van het college in strijd is met artikel 44, eerste lid, aanhef en onder d, van de Woningwet of niet berust op een deugdelijke motivering. Dit neemt echter niet weg dat een welstandsnota criteria kan bevatten die zich naar hun aard beter lenen voor beoordeling door een deskundige dan voor beoordeling door een aanvrager of derde-belanghebbende.