Uitspraak
200808514/1/H2) vloeit uit het bepaalde in artikel 16, eerste lid, gelezen in samenhang met het derde en vierde lid, van de Awir, voort dat aan de verlening van een voorschot geen gerechtvaardigd vertrouwen kan worden ontleend dat een met dat voorschot overeenkomende aanspraak op toeslag bestaat. Het voorschot heeft immers slechts een voorlopig karakter: het kan ingevolge artikel 24, tweede en derde lid, van de Awir worden verrekend met de tegemoetkoming, wat tot een terugvordering kan leiden. De Belastingdienst heeft erkend dat zij op de aanvraag van [appellante] en haar latere wijzigingsverzoek niet adequaat heeft gereageerd. Dit neemt niet weg dat [appellante] aan de verlening van het voorschot niet het gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen dat de tegemoetkoming ter hoogte van het bij het voorschot verleende bedrag zou worden vastgesteld. Derhalve heeft de Belastingdienst de tegemoetkoming terecht op nihil vastgesteld en was hij ingevolge artikel 26 van Pro de Awir gehouden het teveel uitbetaalde voorschotbedrag van € 1.999,00 terug te vorderen. Het betoog faalt.