ECLI:NL:RVS:2011:BR3776
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- P.A. Offers
- Rechtspraak.nl
Beoordeling disproportionaliteit verblijfsvergunning bij toepassing artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag
In deze zaak staat centraal of de beoordeling of het blijvend onthouden van een verblijfsvergunning disproportioneel is, los van de asielprocedure moet plaatsvinden of daarin geïntegreerd is. De vreemdeling had een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend, die werd afgewezen vanwege de toepassing van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. Tegelijkertijd verzet artikel 3 EVRM Pro zich duurzaam tegen zijn uitzetting.
De minister voerde aan dat deze disproportionaliteitstoets onderdeel moet zijn van de asielprocedure, omdat dit aansluit bij de verwevenheid van de juridische vragen en de deskundigheid van de betrokken instanties. De rechtbank had het beroep tegen het standpunt van de minister doorgezonden als bezwaar, wat de Raad van State onjuist achtte.
De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigde de uitspraak van de rechtbank en stelde dat de minister alle belangen, ook reguliere, moet betrekken bij de disproportionaliteitstoets binnen de asielprocedure. De minister had de belangen van de vreemdeling, waaronder medische klachten en familiebanden, beoordeeld maar vond deze onvoldoende om af te wijken van het uitgangspunt dat personen op wie artikel 1(F) van toepassing is geen verblijfsvergunning krijgen.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep van de vreemdeling ongegrond, het hoger beroep van de minister gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit van de minister bevestigd.