Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Uitspraak van de meervoudige kamer van 10 februari 2015
[eiser],
de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,
Het procesverloop
De beoordeling
Nu eiser ter onderbouwing van zijn herhaalde aanvraag ten aanzien van de tegenwerping van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag, gelet op het voorgaande, geen nova heeft aangevoerd wordt aan een inhoudelijke behandeling van de hiertoe aangevoerde gronden, waaronder het beroep op het gelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, niet toegekomen. Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding om, zoals gemachtigde van eiser ter zitting heeft verzocht, ambtshalve kennis te nemen van de dossiers, waarvan verweerder de openbaarmaking op grond van de Wob heeft geweigerd.
De rechtbank overweegt als volgt.
Gelet hierop dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of het bestreden besluit blijkt geeft van een dergelijke belangenafweging.
Nu uit het bestreden besluit voorts blijkt dat verweerder de psychische klachten van eiser en de medische behandeling waarop eiser aanspraak kan maken, heeft betrokken bij de beoordeling van de vraag of zich in dit geval een uitzonderlijke situatie voordoet waarin het blijvend onthouden van een verblijfsvergunning disproportioneel is, bestaat er naar het oordeel van de rechtbank, gelet op het in rechtsoverweging 12 weergegeven uitgangspunt, geen grond voor het oordeel dat verweerder, bij afweging van deze belangen tegen het algemeen belang dat Nederland geen vluchthaven wordt voor personen op wie artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is, niet in redelijkheid aan het algemeen belang doorslaggevende betekenis heeft kunnen hechten. De rechtbank wijst in dit verband op de uitspraak van de Afdeling van 15 juli 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BR3776).
Vaststaat dat eiser ten tijde van het opstellen van het BMA-advies van 15 januari 2013 onrechtmatig in Nederland verbleef en hij om die reden slechts aanspraak kon maken op voorzieningen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de Vw 2000. Uit het BMA-advies blijkt niet dat de op die grond door eiser ontvangen behandeling niet adequaat zou zijn. Zulks is door eiser ook niet gesteld. Nu vorenbedoelde voorzieningen ook na het opleggen van het inreisverbod voor eiser toegankelijk blijven, heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat in de medische situatie van de vreemdeling geen aanleiding is gelegen af te zien van het opleggen van een inreisverbod dan wel het verkorten van de duur hiervan. De rechtbank wijst in dit verband op de onder r.o. 19 genoemde uitspraak van de Afdeling van 20 december 2013.
Beslissing
- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen de afwijzing van de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep voor het overige ongegrond.