Uitspraak
201011757/9/R1, heeft de Afdeling na vereenvoudigde behandeling het beroep van Kerkrade tegen het besluit van provinciale staten van Limburg van 8 oktober 2010 tot vaststelling van het inpassingsplan "Provinciaal inpassingsplan Buitenring Parkstad Limburg" niet-ontvankelijk verklaard. De uitspraak is aangehecht.
200901661/1/R3en van 4 november 2009 in zaak nr.
200901313/1/H2waarin volgens Kerkrade de bedoeling van de wetgever volgens de parlementaire geschiedenis prevaleerde boven de tekst van de wet, ziet de Afdeling daarin geen aanleiding voor een ander oordeel, nu deze uitspraken betrekking hebben op redelijke wetsuitlegging van overgangsbepalingen in specifieke gevallen.
200707109/1is het EVRM niet van toepassing op een geschil tussen overheden. Daarbij acht de Afdeling van belang dat de in het EVRM opgenomen rechten niet zijn geschreven voor de overheid en daarmee ook niet voor de decentrale overheid. Dit blijkt uit tekst, systeem en strekking van het EVRM. Voor de afbakening van wie als rechtssubjecten - (potentieel) rechthebbenden ter zake van EVRM-rechten - hebben te gelden, dient artikel 34 van Pro het EVRM als uitgangspunt te worden genomen. Uit vaste jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) (onder meer de beslissing van 9 november 2010 inzake Demirba? en anderen tegen Turkije, zaak nr. 1093/08 en verder; www.echr.coe.int) volgt dat decentrale overheden geen partij zijn als bedoeld in die bepaling. Alleen partijen als bedoeld in artikel 34 van Pro het EVRM, die bij het EHRM kunnen klagen over verdragsschending, kunnen rechthebbenden zijn in de zin van de EVRM-rechten. Een andere opvatting zou met zich brengen, dat bepaalde publiekrechtelijke rechtspersonen of hun organen weliswaar een beroep kunnen doen op EVRM-rechten, maar dit niet in een procedure bij het EHRM kunnen afdwingen. Een dergelijk uiteenlopen van formele proceduremogelijkheden en materiële rechten acht de Afdeling onverenigbaar met het stelsel van het EVRM.
201004771/1/M2, volgt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap (hierna: het Hof van Justitie) van 11 september 2007, in zaak C-431/05, Merck Genéricos (www.curia.europa.eu), dat in zo'n geval een rechtreeks beroep op een regel van het Verdrag van Aarhus in een procedure bij de nationale rechter niet is toegestaan, indien die regel betrekking heeft op een gebied waarop de Europese Unie regelgevend is opgetreden.
200902395/1/M1. Er is dan ook geen grond voor het oordeel dat artikel 1.4 van de Chw vanwege strijd met artikel 10bis van de mer-richtlijn buiten toepassing zou moeten blijven.