Uitspraak
200807906/1/R2, verweerders bij de voorbereiding van de bestreden besluiten dienden te beoordelen of vergunningverlening in overeenstemming is met artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn (arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 7 januari 2004, C-201/02, Wells, (www.curia.europa.eu)). In artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn is bepaald dat voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar significante gevolgen kan hebben voor het gebied, een passende beoordeling wordt gemaakt van de gevolgen voor het gebied en dat door de bevoegde nationale instanties slechts toestemming voor het plan of project wordt gegeven nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat het de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied niet zal aantasten.
200706095/1) betogen dat de achtergrondconcentratie van fluoriden niet deugdelijk is onderzocht, overweegt de Afdeling dat dit een zaak betrof over een aan Nuon verleende vergunning op grond van de Wet milieubeheer. De Afdeling oordeelde daarin dat aan de bepaling van de achtergrondconcentratie van fluoriden geen actueel en op de locatie van de inrichting betrekking hebbend onderzoek ten grondslag lag, hetgeen tot vernietiging van het bestreden besluit leidde. Naar aanleiding van deze vernietiging is in opdracht van RWE en Nuon nader onderzoek verricht naar de achtergrondconcentratie van fluoriden in Nederland en in het bijzonder het Eemshavengebied. Tevens is de fluoridebelasting van de geplande centrales van zowel RWE als Nuon in het Eemshavengebied onderzocht. De resultaten daarvan zijn neergelegd in het rapport 'Fluoridenconcentraties Eemshavengebied in perspectief' van Wageningen Universiteit en Researchcentrum, Royal Haskoning en Tauw van 2 april 2009 en het rapport 'Ecologische betekenis van fluoriden voor het Natura 2000-gebied Waddenzee' van Wageningen Universiteit en Researchcentrum van april 2009. Volgens deze rapporten bedraagt de jaargemiddelde achtergrondconcentratie 0,05 µg/m³. De juistheid hiervan is door Greenpeace en anderen niet betwist. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat voldoende onderzoek is gedaan naar de achtergrondconcentratie van fluoriden.
200706675/1aan dat onvoldoende onderzoek is verricht naar het gebruik van de zogeheten thermoshockmethode. Het naar aanleiding van de heroverwegingen opgenomen aanvullende voorschrift 30a is volgens Greenpeace en anderen niet toereikend om significante effecten van de warmtelozingen te voorkomen.
201000404/1/H1dat het buitendijkse deel van de koelwateruitlaat van de centrale van RWE geen constructie is die als bouwwerk moet worden aangemerkt. Nu het buitendijkse deel van de koelwateruitlaat geen bouwwerk betreft, is ook geen sprake van een zeewaartse uitbreiding van de haven. Verder is gebleken dat het binnendijkse deel van de koelwateruitlaat buiten de begrenzing van de PKB valt.
200706095/1) betreft de coördinatie als bedoeld in artikel 7 van Pro de IPPC-richtlijn, gelet op de definitie van het begrip "vergunning" in artikel 2, aanhef en onder 9, van de IPPC-richtlijn, enkel de coördinatie tussen die besluiten of gedeelten van (een) besluit(en) die hun grondslag vinden in de regelgeving die de implementatie vormt van de IPPC-richtlijn. Nu de Nbw 1998, die is gericht op implementatie van de Richtlijn 79/409/EEG van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand en de Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna, niet tot die regelgeving behoort, ziet artikel 7 van Pro de IPPC-richtlijn niet op coördinatie tussen de hier aan de orde zijnde besluiten op aanvraag om vergunning krachtens de Nbw 1998 en een besluit op een aanvraag om vergunning krachtens de Wet milieubeheer. Gelet hierop faalt het betoog.
200900425/1/R2 en 200902744/1/R2aangemerkt als samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van Pro het Besluit proceskosten bestuursrecht, zodat de betrokken kosten slechts eenmaal voor vergoeding in aanmerking komen. Vanwege de omvang en complexiteit van de zaken bestaat voorts aanleiding ten aanzien van de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand een wegingsfactor 1,5 toe te passen (bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht, onderdeel C1).