Uitspraak
200902451/1/H2) is in de memorie van toelichting (TK 2000/01, 27 553, nr. 3, blz. 10) vermeld, dat het niet tijdig overleggen van een toevoeging tot gevolg heeft dat artikel 57b van Rv (lees: artikel 243 van Pro Rv) niet kan worden toegepast en gelet daarop de wederpartij wordt veroordeeld om de proceskosten te voldoen aan de rechtzoekende aan wie de toevoeging is verleend. In die situatie is het niet redelijk dat de advocaat die in strijd met de verplichting daartoe niet voor de einduitspraak een afschrift van de beslissing waarbij de toevoeging is verleend aan de rechter overlegt, de volledige vergoeding van de raad ontvangt, aldus de toelichting. Indien de rechtsbijstandverlener geen afschrift van het besluit tot toevoeging heeft overgelegd, wordt, anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet toegekomen aan de vraag of hij recht heeft op betalingen als bedoeld in artikel 32 van Pro het Bvr. Beperking van de vergoeding van de kosten van rechtsbijstand vloeit dan reeds voort uit het bepaalde in artikel 29, tweede lid, van de Wrb. De uitspraak van de Afdeling van 14 april 2010 in zaak nr.
200910077/1/H2waarnaar de rechtbank ter onderbouwing van haar oordeel heeft verwezen, is in het onderhavige geval niet van toepassing. Die zaak handelde over vergoeding van kosten in de bestuurlijke voorprocedure, waarop artikel 29, tweede lid, van de Wrb niet ziet.