ECLI:NL:RVS:2011:BU2864
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- B. Van Wagtendonk
- M.G.J. Parkins de Vin
- Rechtspraak.nl
Vaststelling peilmoment gezinsband bij verblijfsvergunning asiel volgens Vreemdelingenwet
De minister van Immigratie en Asiel stelde dat de vreemdeling niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel omdat hij niet feitelijk tot het gezin van zijn echtgenote behoorde op het peilmoment, dat is vastgesteld als het vertrek uit Sri Lanka, het land van herkomst.
De vreemdeling betoogde dat de relatie in Thailand is ontstaan en dat de minister niet overeenkomstig het beleid uit paragraaf C2/6.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 heeft gehandeld. De rechtbank had het beroep van de vreemdeling gegrond verklaard, maar de Raad van State stelde vast dat de rechtbank buiten de omvang van het geschil was getreden door niet op de juiste gronden te beslissen.
De Raad van State oordeelde dat het peilmoment terecht is vastgesteld op het vertrek uit het land van herkomst en dat de minister terecht heeft geoordeeld dat de vreemdeling niet voldeed aan het vereiste van feitelijk behoren tot het gezin op dat moment. Het hoger beroep van de minister werd gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State gaf hiermee een duidelijke bevestiging van het toepasselijke beleid en de interpretatie van artikel 29 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 in relatie tot gezinsbanden bij asielaanvragen.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit van de minister bevestigd.