ECLI:NL:RVS:2013:136
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf wegens onvoldoende aannemelijkheid feitelijke gezinsband
De minister wees op 5 januari 2011 de aanvraag van de vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) af. De vreemdeling maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en bepaalde dat de minister een nieuw besluit moest nemen. De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de minister ten onrechte had afgezien van het horen van de vreemdeling, terwijl er twijfel bestond of het bezwaar tot een ander besluit zou kunnen leiden. Tevens was de beoordeling van de feitelijke gezinsband onjuist, omdat de rechtbank ten onrechte had aangenomen dat het noemen van de vreemdeling als gezinslid tijdens de asielprocedure van de referent voldoende was. De cumulatieve voorwaarden uit de Vreemdelingencirculaire 2000 vereisen meer bewijs van de feitelijke gezinsband.
De Afdeling vernietigde het besluit van 18 april 2011 en de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Het beleid dat minderjarige pleeg- en adoptiekinderen die na vertrek van de hoofdpersoon in een ander gezin zijn opgenomen per definitie niet in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning, werd als onredelijk beoordeeld.
Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt vernietigd en het beroep van de vreemdeling wordt gegrond verklaard.