Uitspraak
200103329/1(LJN: AE8789), omdat het aanwijzingsbesluit daarmee, wat betreft het vierbanenstelsel, in rechte onaantastbaar is geworden. Vanaf die dag heeft [appellant] vijf jaar, tot 17 oktober 2007, de gelegenheid gehad een verzoek in te dienen. Nu [appellant] zijn verzoek niet binnen deze termijn heeft ingediend, is zijn aanspraak verjaard.
200705041/1bepalend is, hetgeen betekent dat een verzoek niet eerder verjaard kan zijn dan na 9 april 2013. Daartoe is volgens hem in dit geval aanleiding, omdat eerst met die uitspraak de juiste grondslag voor de beoordeling van verzoeken om vergoeding van schade als gevolg van het aanwijzingsbesluit, voor zover dat ziet op het vierbanenstelsel, duidelijk werd. Tot die tijd verkeerde ook de besliscommissie in de veronderstelling dat die verzoeken niet voor honorering in aanmerking kwamen en droeg zij dit standpunt ook naar buiten.
200805473/1moet voor de beoordeling van de tijdigheid van een verzoek om nadeelcompensatie aansluiting worden gezocht bij de verjaringsregeling van het BW en het daaraan ten grondslag liggende rechtzekerheidsbeginsel. Dat uitgangspunt geldt niet alleen, indien in een regeling geen termijn is opgenomen, waarbinnen een verzoek om schadevergoeding moet worden ingediend, maar ook bij de invulling van de bepaling in de artikelen 3 van de Verordening en van de Regeling Nadeelcompensatie dat een verzoek zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk moet worden ingediend. In artikel 12 van Pro de Regeling nadeelcompensatie Verkeer en Waterstaat 1999 is, ook blijkens de toelichting erop, aansluiting gezocht bij de verjaringsregeling van artikel 3:310, eerste lid, BW. Anders dan [appellant] stelt, beogen deze regelingen niet af te wijken van die verjaringsregeling maar sluiten zij juist daarbij aan.