ECLI:NL:RVS:2012:4060
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- G. van der Wiel
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vaststelling rechtmatigheid weigering verblijfsvergunning wegens ontbreken geldige machtiging tot voorlopig verblijf
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, die door de staatssecretaris van Justitie op 4 februari 2010 werd afgewezen. De minister verklaarde het bezwaar ongegrond, waarna de rechtbank het besluit vernietigde en de minister opdroeg een nieuw besluit te nemen met inachtneming van haar overwegingen.
De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de minister onvoldoende rekening had gehouden met de feiten en omstandigheden, waaronder de emotionele en afhankelijke relatie tussen de vreemdeling en zijn vader. De Raad stelde dat er geen sprake was van een bijzondere afhankelijkheid die het familie- of gezinsleven onder artikel 8 EVRM Pro beschermt.
Verder oordeelde de Raad dat de minister terecht had vastgesteld dat de vreemdeling niet voldeed aan het vereiste van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en dat het ontbreken daarvan niet in strijd is met artikel 8 EVRM Pro. De minister had ook terecht geoordeeld dat het mvv-vereiste niet buiten toepassing kon worden gelaten wegens het ontbreken van een onbillijkheid van overwegende aard.
De Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond, waarmee de weigering van de verblijfsvergunning werd bevestigd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de weigering van de verblijfsvergunning blijft in stand.