ECLI:NL:RVS:2012:BV0969
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins de Vin
- H. Troostwijk
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige vreemdelingenbewaring wegens ontbreken zicht op uitzetting naar Mogadishu
De vreemdeling werd op 2 januari 2011 in vreemdelingenbewaring gesteld vanwege het niet naleven van een vertrektermijn en het niet rechtmatig verblijven in Nederland. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en hief de bewaring op. De minister stelde hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelde dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom het zicht op uitzetting van de vreemdeling naar Mogadishu niet ontbrak. De veiligheidssituatie in Mogadishu was volgens het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) uitzonderlijk slecht, en er waren geen concrete aanwijzingen dat uitzetting daadwerkelijk plaatsvond ten tijde van de inbewaringstelling. Ook ontbraken aanwijzingen voor vestigingsalternatieven in Somalië of elders.
Hoewel de minister stelde dat de vreemdeling zich niet aan de vertrektermijn had gehouden en niet meewerkte aan terugkeer, vond de Raad dat dit niet voldoende was om de bewaring te rechtvaardigen. De maatregel was van meet af aan onrechtmatig. De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en kende een vergoeding toe voor de periode van bewaring. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De bewaring van de vreemdeling werd onrechtmatig verklaard en het beroep gegrond, met toekenning van een vergoeding en proceskosten.