ECLI:NL:RVS:2012:BV2189
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielverzoek wegens onvoldoende aannemelijkheid risico op schending artikel 3 EVRM bij terugkeer naar Somalië
De zaak betreft het hoger beroep van een Somalische vrouw tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel. De minister stelde dat de vreemdeling onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer naar Somalië niet kan overleven onder de regels van Al Shabaab, aangezien zij recentelijk in een door Al Shabaab gecontroleerd gebied heeft verbleven en dus ervaring heeft met die situatie.
De vreemdeling voerde aan dat de situatie in haar woonplaats in de provincie Hiraan vergelijkbaar is met die in Mogadishu en dat zij als alleenstaande vrouw die al meer dan twee jaar in Nederland verblijft, niet in staat zou zijn zich te handhaven onder Al Shabaab. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde echter dat de vreemdeling onvoldoende specifieke onderscheidende kenmerken heeft aangevoerd die een reëel risico op een schending van artikel 3 EVRM Pro aannemelijk maken.
De Afdeling verwees naar jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, waaronder het arrest Sufi en Elmi, waarin wordt gesteld dat een reëel risico op onmenselijke behandeling aannemelijk moet worden gemaakt door specifieke kenmerken of uitzonderlijke situaties. De enkele stelling van de vreemdeling over haar langdurige afwezigheid en mogelijke negatieve aandacht van Al Shabaab volstaat niet.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdeling niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het asielverzoek bevestigd.