Uitspraak
201007178/1/H1), is in een geval als dit, ter beantwoording van de vraag wanneer de overtreding plaatsvond bepalend het moment waarop het bestuursorgaan het schriftelijke voornemen om handhavend op te treden aan de vermoedelijke overtreder toezendt, om deze de gelegenheid te bieden daarop zijn zienswijzen kenbaar te maken. Om het recht zoals dit gold tot 1 juli 2009 van toepassing te laten blijven, dient de overtreding niet alleen te zijn aangevangen vóór 1 juli 2009, doch dient ook een duidelijke aanwijzing aanwezig te zijn dat voor die datum sprake was van een lopend handhavingsproces. In dit geval is sprake van een aan [appellant] gerichte brief van het college van 15 oktober 2008, waarin is vermeld dat het college voornemens is handhavend op te treden tegen de overtredingen en waarbij [appellant] in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze als bedoeld in artikel 4:8, eerste lid, van de Awb naar voren te brengen.