Uitspraak
201007178/1/H1) valt uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Awb (Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, blz. 165) af te leiden dat het in artikel IV van de Vierde tranche neergelegde overgangsrecht ten doel heeft eerbiedigende werking toe te kennen aan het recht zoals dit gold tot 1 juli 2009, indien op die datum sprake was van een lopend handhavingsproces. Om het recht zoals dit gold tot 1 juli 2009 van toepassing te laten blijven, dient, gelet op voormelde uitspraak, in een geval als dit, waarbij het college handhavend optreedt wegens overtredingen die hebben plaatsgevonden zowel vóór als na 1 juli 2009, een duidelijke aanwijzing aanwezig te zijn dat vóór 1 juli 2009 sprake was van een lopend handhavingsproces. Nu het schriftelijke voornemen tot handhaving op 14 augustus 2008 aan [appellant] is verzonden, waarbij [appellant] in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze als bedoeld in artikel 4:8, eerste lid, van de Awb, naar voren te brengen, is het recht zoals dat gold tot 1 juli 2009 op het geschil van toepassing. De burgerlijke rechter is derhalve bevoegd kennis te nemen van een geschil omtrent de invordering van dwangsommen die zijn verbeurd ten gevolge van het in bezwaar gehandhaafde besluit van 30 september 2009.