ECLI:NL:RVS:2012:BW0574
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins de Vin
- C.J. Borman
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd vanwege schrijnendheid en humanitaire redenen
De zaak betreft het hoger beroep van de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel tegen een uitspraak van de rechtbank die het bezwaar van een vreemdeling tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd vanwege schrijnendheid gegrond verklaarde.
De minister stelde dat een verblijfsvergunning alleen kan worden verleend indien zich meer dan één bijkomende klemmende reden van humanitaire aard voordoet, of een combinatie van zo'n reden met zeer uitzonderlijke onvoorziene omstandigheden. De Raad van State oordeelt echter dat uit de tekst van de ministeriële brief niet kan worden afgeleid dat meer dan één klemmende reden vereist is. De brief spreekt van een minimum van in beginsel één bijkomende klemmende reden, waarbij de opsomming niet uitputtend is en individuele omstandigheden per zaak worden meegewogen.
De Raad stelt vast dat de rechtbank ten onrechte oordeelde dat het standpunt van de minister over het verblijf vanaf 1989 ondeugdelijk was, maar dat dit niet leidt tot vernietiging van de uitspraak. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd, met een verbetering van de motivering. De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.