Uitspraak
200905501/1/H1heeft de Afdeling zich onbevoegd verklaard om van de daartegen ingestelde beroepen kennis te nemen.
201003407/1/R2behandeld op 29 november 2011, waar SMZ, vertegenwoordigd door [gemachtigde], SBSZ, vertegenwoordigd door mr E.D.B. Groeneweg en [gemachtigde], de Vereniging, vertegenwoordigd door [gemachtigden], het college en de gemeenteraad, vertegenwoordigd door mr. H. van Veldhuizen, mr. G.A.J. Pongers en D. van Vulpen, werkzaam bij de gemeente en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. A.M. van der Hofstede-de Jong, werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen. Voorts zijn daar De Seyster Veste en Reinaerde, vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. M. Klijnstra, advocaat te Amsterdam, gehoord. Na de zitting zijn de zaken gesplitst.
201003407/1/R2, heeft de Afdeling de tegen dat vaststellingsbesluit ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Het bestemmingsplan is daarmee onherroepelijk geworden. Thans kan het project, waarop de verleende vrijstelling betrekking heeft, zonder vrijstelling worden gerealiseerd, indien dit niet in strijd is met dat bestemmingsplan. Niet betwist is dat van zodanige strijd geen sprake is. SMZ, SBSZ en de Vereniging hebben derhalve geen belang meer bij een oordeel van de Afdeling over de door hen aangevoerde beroepsgronden tegen de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij de beroepen tegen het vrijstellingsbesluit van 23 juni 2009 niet-ontvankelijk zijn verklaard.
201104545/1/T1/A3wordt voor de belanghebbendheid niet de eis gesteld dat de statuten vermelden dat de rechtspersoon opkomt voor het behoud van de specifieke in de verleende ontheffing genoemde planten en dieren. In het verlengde daarvan mag evenmin de eis worden gesteld dat de feitelijke werkzaamheden betrekking moeten hebben op dan wel voldoende verband moeten houden met de in de ontheffing genoemde dier- en of plantensoorten. Nu de statutaire doelstellingen van SMZ en SBSZ overigens voldoende zijn bepaald en gelet voorts op de verrichte feitelijke werkzaamheden teneinde deze doelstellingen te bereiken, is de Afdeling van oordeel dat SMZ en SBSZ een rechtstreeks bij de verleende ontheffing van de verbodsbepaling in artikel 11 van Pro de Ffw betrokken belang behartigen. SMZ en SBSZ zijn derhalve belanghebbende in de zin van de Awb bij de verleende ontheffing.
200708822/1), is de in artikel 9, eerste lid, van de Wegenwet neergelegde bevoegdheid discretionair van aard. Het bevoegd gezag komt bij de uitoefening ervan een ruime mate van beleidsvrijheid toe. De rechter dient de aanwending daarvan te beoordelen aan de hand van de maatstaf of er strijd is met wettelijke voorschriften dan wel of de betrokken belangen op zodanig onevenwichtige wijze zijn afgewogen, dat niet in redelijkheid tot onttrekking kan worden overgegaan.