Uitspraak
201011284/1/A4en 11 juli 2007 in zaak nr.
200607873/1. De voorzitter ziet in zoverre geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.
Raad van State
Het college van gedeputeerde staten van Utrecht verleende op 19 april 2011 een revisievergunning voor een diervoederproductie-inrichting, waarbij enkele geurvoorschriften werden opgelegd. Vergunninghoudster stelde dat de geurnorm en rapportageverplichtingen onredelijk waren en niet in lijn met de Nederlandse emissierichtlijn lucht (NeR) en de Bijzondere Regeling Diervoederindustrie (BRD).
Na het indienen van beroep en een verzoek om voorlopige voorziening, behandelde de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak het geschil op 15 maart 2012. De voorzitter oordeelde dat het college terecht een uurnorm voor geuremissie had gesteld en dat de eenmalige meetverplichting redelijk was om overschrijdingen te voorkomen.
Wel werd geoordeeld dat het voorschrift 8.1.4, dat een voorstel voor de verdeling van productie op perslijnen met hoge eiwitgehalten verplicht stelt, onpraktisch is vanwege het grote aantal recepturen en onvoldoende nut heeft. Daarom werd dit voorschrift geschorst. Verder werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Voorschrift 8.1.4 van de vergunning is geschorst, overige voorschriften blijven van kracht.