Uitspraak
200809179/1/V2.
Raad van State
Appellant verzocht om naturalisatie voor zichzelf en zijn minderjarige kinderen, maar de minister van Justitie wees dit verzoek op 13 augustus 2010 af vanwege ernstige vermoedens dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant gegrond en vernietigde het bezwaarbesluit, maar de minister ging in hoger beroep tegen deze uitspraak. De Raad van State oordeelde dat het openbare-ordebeleid voor naturalisatie strikt is en dat de toepassing van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag een afwijzingsgrond vormt, ook als appellant reeds een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd bezit.
Appellant voerde aan dat het beleid onredelijk was en dat medische omstandigheden en het vertrouwensbeginsel tot een andere uitkomst moesten leiden, maar deze argumenten werden verworpen. De Raad van State bevestigde dat het beleid geen ruimte laat voor afwijking bij ernstige vermoedens van gedragingen als bedoeld in artikel 1(F) en dat het vertrouwensbeginsel niet van toepassing is omdat appellant bij verlening van de verblijfsvergunning uitdrukkelijk met artikel 1(F) werd geconfronteerd.
De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en het hoger beroep van appellant wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het naturalisatieverzoek wordt bevestigd.