Uitspraak
200803828/1), voor het zelf voorzien in de zaak niet altijd is vereist dat nog slechts één beslissing mogelijk is, heeft de rechtbank gelet op het vorenstaande terecht zelf in de zaak voorzien.
Raad van State
De minister legde [appellante] een boete op van €301.500 wegens overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav), specifiek het laten verrichten van arbeid door vreemdelingen zonder tewerkstellingsvergunning en het niet naleven van administratieve verplichtingen. De rechtbank Arnhem verklaarde het bezwaar van [appellante] gegrond, stelde de boete vast op €299.000 en vernietigde het eerdere besluit van de minister.
[Appellante] stelde onder meer dat zij niet als werkgever kon worden aangemerkt en dat de Poolse en Bulgaarse werknemers feitelijk bij een ander bedrijf waren tewerkgesteld. De rechtbank oordeelde echter dat [appellante] als werkgever kon worden aangemerkt, omdat de vreemdelingen op haar terrein onder haar toezicht en leiding werkzaamheden verrichtten. Dit werd onderbouwd met verklaringen van werknemers en documenten zoals arbeidsovereenkomsten en aannemingsovereenkomsten.
De Raad van State bevestigt de uitspraak van de rechtbank en oordeelt dat de boete terecht is opgelegd, mede gelet op het arrest van het Hof van Justitie inzake terbeschikkingstelling van werknemers. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bekrachtigd met verbeterde motivering. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de boete van €299.000 wegens overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen.