ECLI:NL:RVS:2022:3581
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- H.G. Sevenster
- C.M. Wissels
- Rechtspraak.nl
Vernietiging terugkeerbesluit en inreisverbod bij verblijfsrecht in andere EU-lidstaat wegens procedurele tekortkomingen
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid vaardigde op 12 februari 2020 een terugkeerbesluit en een inreisverbod van tien jaar uit tegen een Nigeriaanse vreemdeling die verblijfsrecht heeft in Luxemburg als familielid van een Unieburger, maar niet in Nederland. De vreemdeling was veroordeeld voor ernstige drugshandel- en witwasdelicten gepleegd in Nederland.
De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond, maar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vernietigt dit oordeel. De Afdeling oordeelt dat de staatssecretaris verplicht was het terugkeerbesluit en inreisverbod te nemen, maar dat de uitvoering ervan en de procedurele naleving tekortschoten. Met name de late signalering in SIS II en het vertraagde overleg met Luxemburg zijn in strijd met het nuttig effect van de Terugkeerrichtlijn en het arrest E van het Hof van Justitie.
De Afdeling benadrukt dat een inreisverbod een Europese werking heeft vanaf het moment van uitvaardiging en dat het niet registreren in SIS II de handhaving belemmert. Tevens moet de overlegprocedure met de lidstaat waar verblijfsrecht bestaat tijdig worden gestart om tegenstrijdige situaties te voorkomen. Omdat Luxemburg het verblijfsrecht niet intrekt, kan het inreisverbod niet effectief worden gehandhaafd, wat leidt tot een juridisch tegenstrijdige situatie.
De Afdeling vernietigt het besluit van 12 februari 2020 en veroordeelt de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten. De zaak onderstreept de noodzaak van correcte toepassing van Europese regelgeving bij terugkeerbesluiten en inreisverboden van vreemdelingen met verblijfsrecht in andere lidstaten.
Uitkomst: Het terugkeerbesluit en het inreisverbod worden vernietigd wegens strijd met Europese regelgeving en procedurele tekortkomingen.