Uitspraak
201107071/1/H1is het EVRM niet van toepassing op een geschil tussen overheden. De aard en historische oorsprong van de daarin opgenomen rechten brengen met zich dat deze niet bedoeld zijn ter bescherming van de overheid en derhalve niet zijn in te roepen door bestuursorganen. Dat geldt ook voor decentrale bestuursorganen. Deze visie komt tot uitdrukking in tekst, systeem en strekking van het EVRM en vindt ondersteuning in de afbakening in artikel 34 van Pro het EVRM van de kring van rechtssubjecten ter zake van EVRM-rechten wat betreft hun inroepbaarheid. Uit vaste jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) (onder meer de beslissing van 9 november 2010 inzake Demirbaş en anderen tegen Turkije, zaak nr. 1093/08 en verder; www.echr.coe.int) volgt dat decentrale bestuursorganen geen partij zijn als bedoeld in die bepaling.
201011757/14/R1, kan aan artikel 11 van Pro het Handvest inzake lokale autonomie ter zake geen aanspraak worden ontleend, reeds omdat in artikel 2 van Pro de goedkeuringswet van 10 oktober 1990 (Stb. 1990, 546) is bepaald dat het Koninkrijk zich niet gebonden zal achten aan het bepaalde in artikel 11 van Pro dat Handvest. De Afdeling heeft voorts in de uitspraak van 29 juli 2011 met betrekking tot artikel 2 van Pro het Handvest inzake lokale autonomie overwogen dat in dit artikel niet zodanig gepreciseerde normen zijn gegeven dat deze naar hun inhoud voor rechtstreekse toepassing vatbaar zijn en een ieder kunnen verbinden als bedoeld in de artikelen 93 en 94 van de Grondwet. Ook artikel 4 van Pro het Handvest inzake lokale autonomie biedt, zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 7 december 2011 in zaak nr.
201107071/1/H1geen zodanig gepreciseerde normen dat deze naar hun inhoud voor rechtstreekse toepassing vatbaar zijn en een ieder kunnen verbinden.
201004771/1/M2tasten artikel 1.6, tweede lid en artikel 1.6a van de Chw het recht op toegang tot de rechter niet in de kern aan. Met deze bepalingen wordt bereikt dat in een vroeg stadium vast staat welke beroepsgronden in de beroepsprocedure ter beoordeling staan. Hiermee heeft de wetgever blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepalingen (Kamerstukken II 2009/10, 32 127, nr. 3, blz. 46 en 47 en nr. 8, blz. 10) beoogd vertragingen in de beroepsprocedures zo veel mogelijk te voorkomen en het voor de rechter mogelijk te maken om binnen zes maanden na afloop van de beroepstermijn uitspraak te doen. Dit is een rechtmatig doel. In hetgeen is aangevoerd, is geen grond gelegen voor het oordeel dat niet aan de uit de jurisprudentie van het EHRM voortvloeiende evenredigheidseis wordt voldaan. Gelet hierop staat geen aanleiding artikel 1.6, tweede lid, en artikel 1.6a, van de Chw buiten toepassing te laten wegens strijd met artikel 6 en Pro artikel 13 van Pro het EVRM.
200803873/1reeds overwogen dat de broedplek van de grutto buiten het broedseizoen niet onder de reikwijdte van het begrip nest valt als bedoeld in artikel 11 van Pro de Ffwet. Zoals tussen partijen niet in geschil is, keert de grutto niet ieder jaar terug naar hetzelfde specifieke nest, maar vindt deze soort elk jaar een nieuw nest om zijn eieren uit te broeden.
201004771/1/M2) kan een afweging van de betrokken belangen er wel toe leiden dat het verlies aan weidevogelgebied slechts aanvaardbaar is wanneer dat verlies op een bepaalde wijze wordt gecompenseerd. Bij het ontbreken van een specifiek wettelijk kader ter zake is het aan de ministers om deze afweging te maken. Aan de rechter komt slechts de bevoegdheid toe te beoordelen of de betrokken belangen zodanig evenwichtig zijn afgewogen dat de ministers in redelijkheid tot dat besluit hebben kunnen komen.
201007248/1/R1, artikel 3:11 van Pro de Awb hiertoe niet verplicht, nu de anterieure exploitatieovereenkomst niet kan worden aangemerkt als een op het ontwerpplan betrekking hebbend stuk als bedoeld in dit artikel. Overigens is de anterieure exploitatieovereenkomst naar aanleiding van een verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur openbaar gemaakt. Dat hierin geen tijdvak of fasering is bepaald en geen locatie-eisen zijn opgenomen, betekent, anders dan SOOB stelt, niet dat deze aspecten niet in de beoordeling zijn betrokken, maar dat de ministers het stellen van vereisten hieromtrent niet noodzakelijk hebben geacht. SOOB heeft niet aannemelijk gemaakt dat de ministers zich ten onrechte op dit standpunt hebben gesteld. Voorts staat in artikel 1 van Pro deze overeenkomst dat de Bergermeer Partnergroep de door de staat in het kader van de planologische maatregelen gemaakte kosten en te maken kosten zal voldoen. Anders dan SOOB stelt, bestaat in het licht hiervan geen grond voor het oordeel dat de exploitatiekosten niet anderszins zijn verzekerd.