ECLI:NL:RVS:2012:BW6189
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.W.M. Bijloos
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak en opheffing vreemdelingenbewaring wegens overschrijding uitspraaktermijn
De vreemdeling werd op 1 maart 2012 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank verklaarde bij uitspraak van 30 maart 2012 het beroep van de vreemdeling ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.
De kern van het geschil betrof de overschrijding van de in artikel 94, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 gestelde termijn van zeven dagen voor het doen van uitspraak na sluiting van het onderzoek. De rechtbank had het onderzoek gesloten op 16 maart 2012, maar deed pas op 30 maart 2012 uitspraak, waardoor de termijn werd overschreden.
De Raad van State oordeelde dat deze overschrijding niet werd gerechtvaardigd door feiten of omstandigheden en dat er geen bijzondere, zwaarwegende omstandigheden waren die voortzetting van de bewaring rechtvaardigden. Daarom was de inbewaringstelling vanaf 24 maart 2012 onrechtmatig.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond, en bepaalde dat de vrijheidsontnemende maatregel per direct wordt opgeheven. Tevens werd aan de vreemdeling een schadevergoeding toegekend en werd de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De vreemdelingenbewaring wordt opgeheven wegens overschrijding van de uitspraaktermijn en de vreemdeling krijgt een schadevergoeding toegekend.