ECLI:NL:RVS:2012:BW6826
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- E. Steendijk
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank wegens onjuiste beoordeling verblijfsrecht vreemdeling
De vreemdeling had bij de minister van Justitie verzocht om op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 uitstel van uitzetting te verkrijgen. Dit verzoek werd afgewezen en het bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het daarop ingestelde beroep niet-ontvankelijk, omdat zij oordeelde dat de vreemdeling geen belang meer had bij het beroep.
De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Raad van State. Deze oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat het beroep geen belang meer had, omdat uit eerdere uitspraken volgt dat een verleend uitstel van vertrek een verblijfstitel kan zijn in de zin van de Europese Verordening 343/2003. Dit kan ertoe leiden dat Nederland verantwoordelijk wordt voor de behandeling van een nieuwe aanvraag van de vreemdeling.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verwees de zaak terug voor herbeoordeling. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De uitspraak werd gedaan door een kamer van drie raadsheren op 21 mei 2012.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de zaak terugverwezen voor herbeoordeling.