ECLI:NL:RVS:2010:BN1645
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- T.M.A. Claessens
- R. van der Spoel
- Rechtspraak.nl
Verblijfsstatus en uitstel van vertrek bij medische belemmeringen in asielprocedure
De zaak betreft een hoger beroep van de staatssecretaris tegen een uitspraak van de rechtbank die het beroep van een vreemdeling tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel gegrond verklaarde.
De kern van het geschil is of het uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 kan worden aangemerkt als een verblijfstitel in de zin van artikel 2, onder j, van de Dublinverordening. De staatssecretaris betoogde dat dit niet het geval is, omdat het uitstel slechts een temporisering van uitzetting betreft en geen positieve machtiging tot verblijf.
De Raad van State overweegt dat de term 'machtiging' in de Verordening ruim moet worden geïnterpreteerd en ook een besluit omvat waarbij uitzetting tijdelijk wordt opgeschort vanwege medische omstandigheden. Dit uitstel van vertrek kwalificeert daarom als een verblijfstitel, waardoor Nederland verantwoordelijk blijft voor de behandeling van het asielverzoek.
De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep van de vreemdeling gegrond, vernietigt het besluit van de staatssecretaris en veroordeelt de minister tot vergoeding van proceskosten. Hiermee wordt bevestigd dat het uitstel van vertrek een relevant nieuw feit is dat de verantwoordelijkheidsverdeling binnen de Dublinverordening beïnvloedt.
Uitkomst: Het uitstel van vertrek wegens medische omstandigheden wordt als verblijfstitel aangemerkt, waardoor Nederland verantwoordelijk blijft voor de behandeling van het asielverzoek.