Uitspraak
200801682/1), komt de bevoegdheid tot het opleggen van een EMA het CBR reeds toe indien aannemelijk is dat betrokkene onder invloed van een hoger ademalcoholgehalte dan genoemd in artikel 8 van Pro de regeling een motorvoertuig heeft bestuurd. Daartoe is voldoende dat het aan de aanhouding en verbalisering ten grondslag liggende vermoeden dat daarvan sprake is geweest, wordt bevestigd door het daarop ingestelde onderzoek naar dat gehalte, aldus die uitspraak.
200804453/1) mag een bestuursorgaan, in dit geval het CBR, in beginsel uitgaan van de juistheid van een op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal. Dat geldt evenzeer voor de rechter, tenzij tegenbewijs noopt tot afwijking van dit uitgangspunt. De rechtbank heeft terecht geen grond aanwezig geacht om aan de in het proces-verbaal van bevindingen vervatte resultaten van het onderzoek te twijfelen. Vaststaat dat [appellant] geen tegenonderzoek heeft doen instellen. [appellant] heeft zijn stelling dat hij eerst na het ongeval en vóór de ademtest alcohol heeft genuttigd niet aannemelijk gemaakt. In dit verband wordt van belang geacht dat [appellant] die stelling eerst ter zitting van de rechtbank naar voren heeft gebracht en voor de juistheid ervan geen steun valt te vinden in de processen-verbaal. Zoals blijkt uit het proces-verbaal van zijn verhoor als verdachte, gedateerd 10 oktober 2010, heeft [appellant] erkend dat hij na het nuttigen van alcoholhoudende drank op 10 oktober 2010 een motorvoertuig heeft bestuurd en verklaard dat hij de laatste 24 uur voorafgaande aan het gepleegde feit drie glazen bier heeft genuttigd. De rechtbank heeft [appellant] terecht niet gevolgd in zijn stelling dat zijn verklaringen in het proces-verbaal niet juist en niet volledig zijn weergegeven, nu [appellant] voor de juistheid van die verklaringen heeft getekend. Voor zover [appellant] heeft willen aanvoeren dat hij vanwege zijn lichamelijke toestand onvoldoende in staat was zijn belangen te behartigen, heeft de rechtbank terecht betekenis toegekend aan de omstandigheid dat [appellant] heeft nagelaten dit standpunt nader te motiveren, bijvoorbeeld door het overleggen van medische stukken. In de processen-verbaal zijn ook overigens geen aanwijzingen voorhanden ter ondersteuning van het betoog. In dit verband wordt betekenis toegekend aan de verklaring van [appellant] tijdens zijn verhoor als verdachte dat hij niet ziek was. Het vorenstaande in aanmerking genomen heeft het CBR aannemelijk mogen achten dat [appellant] een motorvoertuig heeft bestuurd met een hoger ademalcoholgehalte dan vermeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder f, van de Regeling. De rechtbank heeft dan ook met juistheid geoordeeld dat het CBR [appellant] terecht ingevolge die bepaling de verplichting heeft opgelegd mee te werken aan een EMA. Het betoog faalt.