ECLI:NL:RVS:2013:BZ7433
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verplicht medewerking onderzoek geschiktheid na alcoholconstatering beginnend bestuurder
Het CBR heeft appellant verplicht mee te werken aan een onderzoek naar zijn geschiktheid als bestuurder, nadat bij hem een ademalcoholgehalte van 835 µg/l werd vastgesteld. Appellant stelde dat hij niet als bestuurder in de zin van de regeling kon worden aangemerkt omdat hij niet daadwerkelijk reed, maar alleen de motor had gestart om de verwarming te gebruiken. De rechtbank oordeelde dat het CBR terecht een onderzoek had opgelegd, omdat appellant voornemens was een motorrijtuig te besturen en door externe omstandigheden werd weerhouden te rijden.
Appellant stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak, met het verzoek dat het CBR de kosten van het onderzoek zou terugbetalen. Het CBR betoogde dat het hoger beroep feitelijk niet meer relevant was omdat het rijbewijs van appellant inmiddels ongeldig was verklaard. De Afdeling oordeelde echter dat appellant belang had bij inhoudelijke beoordeling vanwege de kostenvergoeding.
De Afdeling bevestigde dat het begrip bestuurder in de regeling mede ziet op degene die een begin van uitvoering van het besturen heeft gemaakt en door externe omstandigheden werd weerhouden te rijden. De feiten uit het proces-verbaal, waaronder het inschakelen van de motor, het dragen van de gordel en het voornemen om te rijden, ondersteunen dit oordeel. De Afdeling bevestigde dat het CBR op grond van de wettelijke bepalingen gehouden was tot het opleggen van het onderzoek.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en het besluit van het CBR tot verplichting tot medewerking aan het geschiktheidsonderzoek bevestigd.