Uitspraak
200201931/1overweegt de Afdeling dat bepalingen inzake sociale grondrechten zoals de thans aangevoerde zich in beginsel niet lenen voor een rechtstreekse toetsing door de rechter. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die ertoe moeten leiden dat het bestreden besluit - in aanvulling op de toetsing aan de toepasselijke wetgeving, waaronder de Wet ruimtelijke ordening - desondanks voor rechtstreekse toetsing aan de artikelen 21 en 22, eerste lid, van de Grondwet in aanmerking komt.
200907391/1/H2) en is een bestemmingsplanregeling een zodanige regulering (vergelijk de uitspraak van 12 november 2003, zaaknummer
200301877/1).