ECLI:NL:RVS:2012:BW9121
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- C.J. Borman
- Rechtspraak.nl
Vaststelling noodzakelijk karakter paspoort bij beoordeling asielaanvraag
De minister voor Immigratie en Asiel wees een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel af omdat de vreemdeling niet aannemelijk had gemaakt dat zijn aanvraag gegrond was. De voorzieningenrechter oordeelde dat het paspoort niet noodzakelijk was voor de beoordeling van de aanvraag en vernietigde het besluit van de minister.
De minister stelde hoger beroep in bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de minister wel beoordelingsvrijheid heeft om te bepalen welke documenten noodzakelijk zijn, maar dat de besluitvorming moet voldoen aan zorgvuldigheid en motiveringsvereisten. Het paspoort is een belangrijk persoonsdocument dat niet alleen identiteit en nationaliteit vaststelt, maar ook inzicht geeft in reisgedrag en contact met autoriteiten.
De voorzieningenrechter had ten onrechte geoordeeld dat het paspoort niet noodzakelijk was. De Raad van State vernietigde daarom het vonnis van de voorzieningenrechter en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Daarnaast werden andere beroepsgronden van de vreemdeling, zoals geloofwaardigheid van het asielrelaas en risico's vanwege stammenoorlog, door de Raad van State afgewezen.
De minister kon zich redelijk op het standpunt stellen dat het ontbreken van het paspoort toerekenbaar was en dat het asielrelaas onvoldoende geloofwaardig was. De algemene veiligheidssituatie in Bagdad werd eveneens als onvoldoende uitzonderlijk beoordeeld om een reëel risico aan te nemen. De Raad van State oordeelde dat het hoger beroep gegrond is, het vonnis van de voorzieningenrechter wordt vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard, het vonnis van de voorzieningenrechter vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.