Uitspraak
201110472/1/A2), volgt uit artikel 18, eerste lid, van de Awir, gelezen in samenhang met artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wko, dat degene die kinderopvangtoeslag ontvangt, moet kunnen aantonen dat hij kosten voor kinderopvang heeft gemaakt en wat de hoogte is van deze kosten. Aan de door [appellante] overgelegde kwitanties kan, naar de rechtbank met juistheid heeft overwogen, niet de betekenis worden gehecht die zij daaraan gehecht wenst te zien. Deze handgeschreven en deels niet gedateerde kwitanties kunnen niet als bewijs van betaling aan de gastouder worden aangemerkt aangezien deze betalingen onvoldoende zijn gestaafd met andere gegevens. Daarbij is van belang dat het totaal van de bedragen, vermeld op de door haar overgelegde kwitanties, ongeveer viermaal zo hoog is als het totaal van de bedragen die [appellante] blijkens de door haar overgelegde bankafschriften heeft opgenomen om, naar zij stelt, de gastouder te betalen. Ook anderszins heeft [appellante] niet aannemelijk gemaakt dat zij de gastouder heeft betaald. Voor zover uit de bankafschriften blijkt dat [appellante] bedragen heeft ontvangen van het gastouderbureau is daarmee niet aannemelijk gemaakt dat zij deze bedragen heeft betaald aan de gastouder en aldus kosten voor kinderopvang heeft gemaakt. De rechtbank is dan ook terecht tot het oordeel gekomen dat de Belastingdienst het voorschot kinderopvangtoeslag 2008 om die reden heeft kunnen herzien en gewijzigd heeft kunnen vaststellen op nihil.