Uitspraak
200400130/1) is vereist dat op het moment van het nemen van het besluit op bezwaar een voorbereidingsbesluit gold. Dat was hier het geval. Er bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat voor het nemen van het vrijstellingsbesluit door het college geen wettelijke basis bestond.
201000404/1/H1volgt dat aan een besluit tot verlening van vrijstelling op grond van de WRO een voorbereidingsbesluit ten grondslag kan worden gelegd dat is genomen op grond van de Wro. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat de doelstelling van het voorbereidingsbesluit, zoals geregeld in de Wro, niet verschilt van de doelstelling van het voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 21 van Pro de WRO. Zoals de Afdeling in de genoemde uitspraak heeft overwogen blijkt dit uit artikel 9.1.12 van de Invoeringswet Wro, waarin een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 21 van Pro de WRO gelijk wordt gesteld met een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 3.7 van de Wro, alsmede uit de wetsgeschiedenis van de Wro.