Uitspraak
200105751/1en de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda in zaak nr. 09/4654 (LJN: BK 4260) treft voorts geen doel, reeds omdat in de zaken die tot deze uitspraken hebben geleid, anders dan in het onderhavige geval, twee tegenstrijdige welstandsadviezen aan de orde waren.
201103958/1/H1), betreft het beslissen op een verzoek om ontheffing krachtens artikel 3.23, eerste lid, van de Wro een discretionaire bevoegdheid van het college, waarbij de rechter zich, anders dan [appellant] betoogt, moet beperken tot de vraag of het college in redelijkheid tot zijn besluit op het verzoek heeft kunnen komen. In de enkele stelling van [appellant] dat in dit geval geen gewichtige redenen aanwezig zijn die het verlenen van ontheffing rechtvaardigen, heeft de rechtbank derhalve terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat hij door het verlenen van de ontheffing onevenredig in zijn belangen is geschaad. Anders dan [appellant] ter zitting heeft betoogd, brengt de realisering van de dakopbouw niet een zodanige toename van de schaduwwerking op zijn perceel met zich dat het college om die reden niet in redelijkheid ontheffing heeft kunnen verlenen. Hierbij heeft het college in aanmerking kunnen nemen dat van de bestaande bebouwing op het perceel reeds schaduwwerking uitgaat.